Ze is nog jong, een jaar of 35, maar ze ademt de dood.
Ze meld zich voor een intake op advies van haar omgeving.
Voor haar hoeft het niet meer, liever vandaag dan morgen stapt ze eruit.

Als ik met haar praat treft me de diepe moedeloosheid waarmee ze spreekt en zich traag beweegt.
Het leven heeft haar lijf al grotendeels verlaten.
Haar ogen liggen diep in de kassen en lijken zonder iets te zien om zich heen te kijken.
Haar uitgemergelde lichaam lijkt geen verwachting meer in zich te dragen.
Alleen haar adem voorkomt dat ze definitief het leven verlaat.

Ik vraag haar wat haar de moed heeft gegeven om hier naar toe te komen.
Werktuiglijk geeft ze antwoord. Ze heeft kinderen. De enige reden dat ze nog leeft.
Alles wat ik vraag wordt door haar netjes en zonder enige emotie beantwoord, alsof ze een lesje opzegt wat ze nou eenmaal moest leren.
Dan vraag ik haar waar ze haar sokken heeft gekocht. Verrast kijkt ze me aan. Voor het eerst in het gesprek ervaar ik contact met haar.
Ze negeert de vraag en bijt me vinnig toe: ‘jij denkt toch niet dat jij me kan helpen’?
Ik kets terug: ‘vraag je me nu of ik nog hoop voor je heb?’ Heel even is ze in verwarring en dan knikt ze. Ik antwoord haar: “De dag dat ik mijn hoop verlies, is de dag dat ik stop met dit werk”.
En dan begint ze te huilen.

Binnen Spectrum ontmoeten we geregeld mensen die dichter bij de dood leven dan bij het leven.
Gebroken door omstandigheden, gegroefd door diepe teleurstellingen en beroofd van dromen en verlangens. Logisch dat dan de dood lonkt en soms de enige weg lijkt.

En toch: de hoop sterft het laatst.
We willen en kunnen niet werken zonder dat we deze hoop diep in ons dragen en uitdragen.
Zolang als er adem is, is er hoop.
En zolang als iemand sokken draagt met roze flamingo’s erop is er reden genoeg om te zoeken
naar het restje van die hoop.

We maken een tweede afspraak.  
Dan blijkt dat ze dusdanig suïcidaal is dat een spoedopname noodzakelijk is en het contact wordt afgesloten. De GGZ neemt opnieuw de regie over haar leven over.
Ruim een jaar daarna kom ik haar bij toeval tegen terwijl ze met haar kinderen bij een pannenkoekenboerderij aan het eten is. Een kleine glimlach van herkenning en een knikje.

Ze leeft nog….God zij dank.